Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
bereiden
Ze bereidt een taart.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.