Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
spellen
De kinderen leren spellen.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
ondersteunen
We ondersteunen de creativiteit van ons kind.
beperken
Moet handel worden beperkt?
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.