Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
meerijden
Mag ik met je meerijden?
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
beginnen
De soldaten beginnen.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
drukken
Hij drukt op de knop.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.