Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
draaien
Ze draait het vlees.