Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.