Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
activeren
De rook activeerde het alarm.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
sturen
Hij stuurt een brief.
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
haten
De twee jongens haten elkaar.
rennen
De atleet rent.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.