Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
werken
Ze werkt beter dan een man.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
brengen
De bezorger brengt het eten.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
genieten
Ze geniet van het leven.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.