Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.