Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
trekken
Hij trekt de slee.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!