Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
houden
Je mag het geld houden.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
werken
Ze werkt beter dan een man.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
samenwerken
We werken samen als een team.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.