Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
smaken
Dit smaakt echt goed!
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
huilen
Het kind huilt in het bad.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.