Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
luisteren
Hij luistert naar haar.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
serveren
De ober serveert het eten.