Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
verhuizen
De buurman verhuist.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
reizen
We reizen graag door Europa.
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.