Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
vertrekken
De trein vertrekt.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
horen
Ik kan je niet horen!
controleren
Hij controleert wie daar woont.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.