Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!