Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
produceren
We produceren onze eigen honing.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
straffen
Ze strafte haar dochter.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.