Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
reizen
We reizen graag door Europa.
slapen
De baby slaapt.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
vertellen
Ze vertelde me een geheim.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.