Woordenlijst
Arabisch – Werkwoorden oefenen
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.