Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
vertrekken
De trein vertrekt.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.