Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.