Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
reizen
We reizen graag door Europa.