Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
haten
De twee jongens haten elkaar.
houden
Je mag het geld houden.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
produceren
We produceren onze eigen honing.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.