Woordenlijst
Indonesisch – Werkwoorden oefenen
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.