Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!
haten
De twee jongens haten elkaar.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.