Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.