Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.