Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.