Woordenlijst
Catalaans – Werkwoorden oefenen
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
luisteren
Hij luistert naar haar.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
genieten
Ze geniet van het leven.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?