Woordenlijst
Bulgaars – Werkwoorden oefenen
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
doden
Ik zal de vlieg doden!
activeren
De rook activeerde het alarm.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!