Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
geloven
Veel mensen geloven in God.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
horen
Ik kan je niet horen!
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?