Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.