Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
instellen
Je moet de klok instellen.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.