Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/110056418.webp
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
discursar
O político está discursando na frente de muitos estudantes.
cms/verbs-webp/121928809.webp
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
fortalecer
Ginástica fortalece os músculos.
cms/verbs-webp/115373990.webp
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
aparecer
Um peixe enorme apareceu repentinamente na água.
cms/verbs-webp/118232218.webp
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
proteger
Crianças devem ser protegidas.
cms/verbs-webp/123170033.webp
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
falir
O negócio provavelmente irá falir em breve.
cms/verbs-webp/117953809.webp
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
aguentar
Ela não aguenta o canto.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
examinar
O dentista examina a dentição do paciente.
cms/verbs-webp/117490230.webp
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
pedir
Ela pede café da manhã para si mesma.
cms/verbs-webp/90287300.webp
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
tocar
Você ouve o sino tocando?
cms/verbs-webp/110233879.webp
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
criar
Ele criou um modelo para a casa.
cms/verbs-webp/10206394.webp
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
suportar
Ela mal consegue suportar a dor!
cms/verbs-webp/114052356.webp
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
queimar
A carne não deve queimar na grelha.