Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
aimer
L’enfant aime le nouveau jouet.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
livrer
Il livre des pizzas à domicile.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
connaître
Des chiens étrangers veulent se connaître.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
retirer
Comment va-t-il retirer ce gros poisson?
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
frapper
Elle frappe la balle par-dessus le filet.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
passer
L’eau était trop haute; le camion n’a pas pu passer.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
exister
Les dinosaures n’existent plus aujourd’hui.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
faire du vélo
Les enfants aiment faire du vélo ou de la trottinette.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
parler à
Quelqu’un devrait lui parler ; il est si seul.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
accomplir
Ils ont accompli la tâche difficile.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
écrire
Il écrit une lettre.
schrijven
Hij schrijft een brief.