Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
gå videre
Du kan ikke gå videre herfra.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
svare
Hun svarede med et spørgsmål.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
danse
De danser en tango forelsket.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
brænde
Kødet må ikke brænde på grillen.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
føle
Han føler sig ofte alene.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
rengøre
Hun rengør køkkenet.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
male
Bilen males blå.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
sidde fast
Jeg sidder fast og kan ikke finde en udvej.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
bruge
Selv små børn bruger tablets.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
forklare
Hun forklarer ham, hvordan apparatet fungerer.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
sortere
Han kan lide at sortere sine frimærker.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.