Woordenlijst

Leer werkwoorden – Duits

cms/verbs-webp/87142242.webp
herunterhängen
Die Hängematte hängt von der Decke herunter.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
cms/verbs-webp/61280800.webp
maßhalten
Ich darf nicht so viel Geld ausgeben, ich muss maßhalten.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
cms/verbs-webp/100298227.webp
umarmen
Er umarmt seinen alten Vater.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
cms/verbs-webp/87205111.webp
überhandnehmen
Die Heuschrecken haben überhandgenommen.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
cms/verbs-webp/118759500.webp
ernten
Wir haben viel Wein geerntet.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
cms/verbs-webp/102631405.webp
vergessen
Sie will die Vergangenheit nicht vergessen.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cms/verbs-webp/34979195.webp
sich zusammenfinden
Es ist schön, wenn sich zwei zusammenfinden.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
cms/verbs-webp/115224969.webp
erlassen
Ich erlasse ihm seine Schulden.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
cms/verbs-webp/28993525.webp
mitkommen
Komm jetzt mit!
meekomen
Kom nu mee!
cms/verbs-webp/112444566.webp
ansprechen
Man sollte ihn ansprechen, er ist so einsam.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
cms/verbs-webp/118026524.webp
empfangen
Ich kann ein sehr schnelles Internet empfangen.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
cms/verbs-webp/57248153.webp
erwähnen
Der Chef hat erwähnt, dass er ihn feuern wird.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.