Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
gå inn
Skipet går inn i havnen.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
snu
Du må snu bilen her.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
sove
Babyen sover.
slapen
De baby slaapt.
arbeide for
Han arbeidet hardt for sine gode karakterer.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
bli med
Kan jeg bli med deg?
meerijden
Mag ik met je meerijden?
ødelegge
Tornadoen ødelegger mange hus.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
besøke
En gammel venn besøker henne.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
gifte seg
Paret har nettopp giftet seg.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
reise seg
Hun kan ikke lenger reise seg på egen hånd.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
spare
Jenta sparer lommepengene sine.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
lukke
Hun lukker gardinene.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.