Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/113966353.webp
servir
Le serveur sert la nourriture.
serveren
De ober serveert het eten.
cms/verbs-webp/32312845.webp
exclure
Le groupe l’exclut.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
cms/verbs-webp/120193381.webp
se marier
Le couple vient de se marier.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
cms/verbs-webp/83548990.webp
revenir
Le boomerang est revenu.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
cms/verbs-webp/60395424.webp
sautiller
L’enfant sautille joyeusement.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
cms/verbs-webp/44127338.webp
quitter
Il a quitté son travail.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
cms/verbs-webp/78773523.webp
augmenter
La population a considérablement augmenté.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
cms/verbs-webp/91906251.webp
appeler
Le garçon appelle aussi fort qu’il peut.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
cms/verbs-webp/53646818.webp
laisser entrer
Il neigeait dehors et nous les avons laissés entrer.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
cms/verbs-webp/104818122.webp
réparer
Il voulait réparer le câble.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
cms/verbs-webp/9435922.webp
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
cms/verbs-webp/120509602.webp
pardonner
Elle ne pourra jamais lui pardonner cela!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!