Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
servir
Le serveur sert la nourriture.
serveren
De ober serveert het eten.
exclure
Le groupe l’exclut.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
se marier
Le couple vient de se marier.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
revenir
Le boomerang est revenu.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
sautiller
L’enfant sautille joyeusement.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
quitter
Il a quitté son travail.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
augmenter
La population a considérablement augmenté.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
appeler
Le garçon appelle aussi fort qu’il peut.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
laisser entrer
Il neigeait dehors et nous les avons laissés entrer.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
réparer
Il voulait réparer le câble.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.