Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
causer
L’alcool peut causer des maux de tête.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
couvrir
L’enfant se couvre.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
tuer
Soyez prudent, vous pouvez tuer quelqu’un avec cette hache!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
tourner
Elle retourne la viande.
draaien
Ze draait het vlees.
entrer
Le navire entre dans le port.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
composer
Elle a décroché le téléphone et composé le numéro.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
goûter
Ça a vraiment bon goût!
smaken
Dit smaakt echt goed!
terminer
Il termine son parcours de jogging chaque jour.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
limiter
Les clôtures limitent notre liberté.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
surpasser
Les baleines surpassent tous les animaux en poids.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
compléter
Peux-tu compléter le puzzle ?
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?