Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
penser
Elle doit toujours penser à lui.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
rater
Il a raté le clou et s’est blessé.
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
donner
Qu’a-t-il donné à sa petite amie pour son anniversaire?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?
approcher
Les escargots se rapprochent l’un de l’autre.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
laisser sans voix
La surprise la laisse sans voix.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
arrêter
Vous devez vous arrêter au feu rouge.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
écouter
Il aime écouter le ventre de sa femme enceinte.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
apporter
Le messager apporte un colis.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
faire du vélo
Les enfants aiment faire du vélo ou de la trottinette.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
passer
Les médecins passent chez le patient tous les jours.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
remercier
Je vous en remercie beaucoup!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!