Woordenlijst

Leer werkwoorden – Bosnisch

cms/verbs-webp/130938054.webp
prekriti
Dijete se prekriva.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cms/verbs-webp/120515454.webp
hraniti
Djeca hrane konja.
voeden
De kinderen voeden het paard.
cms/verbs-webp/111750395.webp
vratiti se
Ne može se vratiti sam.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
cms/verbs-webp/57481685.webp
ponoviti godinu
Student je ponovio godinu.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
cms/verbs-webp/84365550.webp
prevoziti
Kamion prevozi robu.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
cms/verbs-webp/75195383.webp
biti
Ne bi trebao biti tužan!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
cms/verbs-webp/116067426.webp
pobjeći
Svi su pobjegli od požara.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
cms/verbs-webp/61389443.webp
ležati
Djeca leže zajedno u travi.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
cms/verbs-webp/105224098.webp
potvrditi
Mogla je potvrditi dobre vijesti svom mužu.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
cms/verbs-webp/83776307.webp
seliti se
Moj nećak se seli.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
cms/verbs-webp/109657074.webp
tjera
Jedan labud tjera drugog.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
cms/verbs-webp/121870340.webp
trčati
Sportista trči.
rennen
De atleet rent.