Woordenlijst
Leer werkwoorden – Bosnisch
prekriti
Dijete se prekriva.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
hraniti
Djeca hrane konja.
voeden
De kinderen voeden het paard.
vratiti se
Ne može se vratiti sam.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
ponoviti godinu
Student je ponovio godinu.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
prevoziti
Kamion prevozi robu.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
biti
Ne bi trebao biti tužan!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
pobjeći
Svi su pobjegli od požara.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
ležati
Djeca leže zajedno u travi.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
potvrditi
Mogla je potvrditi dobre vijesti svom mužu.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
seliti se
Moj nećak se seli.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
tjera
Jedan labud tjera drugog.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.