Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
stel vas
Die datum word vasgestel.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
ooplaat
Wie die vensters ooplaat, nooi inbrekers uit!
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
hardloop uit
Sy hardloop uit met die nuwe skoene.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
glo
Baie mense glo in God.
geloven
Veel mensen geloven in God.
deel
Ons moet leer om ons rykdom te deel.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
drink
Die koeie drink water uit die rivier.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
doodmaak
Wees versigtig, jy kan iemand met daardie byl doodmaak!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
voorberei
Hulle berei ’n heerlike maaltyd voor.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
belangstel
Ons kind stel baie belang in musiek.
geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
weggooi
Hy trap op ’n weggegooide piesangskil.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
spel
Die kinders leer spel.
spellen
De kinderen leren spellen.