Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
toucher
Le fermier touche ses plantes.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
laisser intact
La nature a été laissée intacte.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
courir vers
La fille court vers sa mère.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
regarder
Elle regarde à travers un trou.
kijken
Ze kijkt door een gat.
ramasser
Nous devons ramasser toutes les pommes.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
rappeler
Veuillez me rappeler demain.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
attendre
Elle attend le bus.
wachten
Ze wacht op de bus.
sentir
Il se sent souvent seul.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
louer
Il loue sa maison.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
suivre
Mon chien me suit quand je fais du jogging.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
travailler pour
Il a beaucoup travaillé pour ses bonnes notes.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.