Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/86064675.webp
pousser
La voiture s’est arrêtée et a dû être poussée.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
cms/verbs-webp/119302514.webp
appeler
La fille appelle son amie.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
cms/verbs-webp/124046652.webp
passer avant
La santé passe toujours avant tout !
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
cms/verbs-webp/26758664.webp
économiser
Mes enfants ont économisé leur propre argent.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
cms/verbs-webp/124545057.webp
écouter
Les enfants aiment écouter ses histoires.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
cms/verbs-webp/94796902.webp
retrouver son chemin
Je ne peux pas retrouver mon chemin.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
cms/verbs-webp/119847349.webp
entendre
Je ne peux pas t’entendre!
horen
Ik kan je niet horen!
cms/verbs-webp/122224023.webp
reculer
Bientôt, nous devrons reculer l’horloge.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
cms/verbs-webp/93393807.webp
arriver
Des choses étranges arrivent dans les rêves.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
cms/verbs-webp/123947269.webp
surveiller
Tout est surveillé ici par des caméras.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
cms/verbs-webp/118780425.webp
goûter
Le chef goûte la soupe.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
cms/verbs-webp/84472893.webp
faire du vélo
Les enfants aiment faire du vélo ou de la trottinette.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.