Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
pousser
La voiture s’est arrêtée et a dû être poussée.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
appeler
La fille appelle son amie.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
passer avant
La santé passe toujours avant tout !
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
économiser
Mes enfants ont économisé leur propre argent.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
écouter
Les enfants aiment écouter ses histoires.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
retrouver son chemin
Je ne peux pas retrouver mon chemin.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
entendre
Je ne peux pas t’entendre!
horen
Ik kan je niet horen!
reculer
Bientôt, nous devrons reculer l’horloge.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
arriver
Des choses étranges arrivent dans les rêves.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
surveiller
Tout est surveillé ici par des caméras.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
goûter
Le chef goûte la soupe.
proeven
De chef-kok proeft de soep.