Woordenlijst

Leer werkwoorden – Zweeds

cms/verbs-webp/91997551.webp
förstå
Man kan inte förstå allt om datorer.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
cms/verbs-webp/88597759.webp
trycka
Han trycker på knappen.
drukken
Hij drukt op de knop.
cms/verbs-webp/90309445.webp
äga rum
Begravningen ägde rum i förrgår.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
cms/verbs-webp/122079435.webp
öka
Företaget har ökat sin inkomst.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
cms/verbs-webp/66787660.webp
måla
Jag vill måla min lägenhet.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
cms/verbs-webp/47241989.webp
slå upp
Vad du inte vet måste du slå upp.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
cms/verbs-webp/118343897.webp
samarbeta
Vi arbetar tillsammans som ett lag.
samenwerken
We werken samen als een team.
cms/verbs-webp/121670222.webp
följa
Kycklingarna följer alltid sin mamma.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
cms/verbs-webp/67095816.webp
flytta ihop
De två planerar att flytta ihop snart.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/105504873.webp
vilja lämna
Hon vill lämna sitt hotell.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
cms/verbs-webp/82378537.webp
kassera
Dessa gamla gummidäck måste kasseras separat.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
cms/verbs-webp/122153910.webp
dela
De delar på hushållsarbetet.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.