Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans
effectuer
Il effectue la réparation.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
partir
Elle part dans sa voiture.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
recevoir
Je peux recevoir une connexion internet très rapide.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
aller
Où allez-vous tous les deux?
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
s’entraîner
Les athlètes professionnels doivent s’entraîner tous les jours.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
accepter
Certaines personnes ne veulent pas accepter la vérité.
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
renverser
Un cycliste a été renversé par une voiture.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
laisser intact
La nature a été laissée intacte.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
construire
Les enfants construisent une haute tour.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
limiter
Les clôtures limitent notre liberté.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
voter
Les électeurs votent aujourd’hui pour leur avenir.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.