Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
stoppen
De agente stopt de auto.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.