Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!