Woordenlijst
Bosnisch – Werkwoorden oefenen
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
voeden
De kinderen voeden het paard.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
horen
Ik kan je niet horen!
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.