Woordenlijst
Grieks – Werkwoorden oefenen
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
uitspringen
De vis springt uit het water.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
dragen
De ezel draagt een zware last.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.